rafelen
/ˈrafələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) van een geweven stof of touw dat deze vanaf de rand of uiteinde uit elkaar valtEn de Bravo ontbrandt in volle glorie bij een adembenemende lichtshow, die rechtstreeks lijkt te worden aangestuurd door de Weval-synths. Bij plotseling best hard scheurende bassynthesizers rafelen de spiraalvormige blauwe lichtbanen langzaam uiteen, en vallen vijfduizend Bravobekkies open. Volkskrant Robert van Gijssel 21 augustus 2016
- (intr) dat iets van mindere kwaliteit begint te worden, dat iets aan het slijten isVerfrissend was het in elk geval. En ontluisterend tegelijk, want een rondje mee als sidekick van Pierre Wind leerde dat Proef-Eet ook na 28 edities nog altijd een voor het publiek aantrekkelijk evenement is, maar dat het aan de randen gaat rafelen. De inspanningen van de organisatoren om het culinaire evenement professioneler te maken, worden door de deelnemende horecazaken zelf teniet gedaan. De goede overigens niet te na gesproken. Tubantia 02-september-09-2013
Etymologie
* afgeleid van rafel
Vertalingen
Engelsfray
Franss'effilocher, s'effiler
Duitsausfransen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek