rail

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
    Een trein rijdt op rails.
  2. spoorwegen (spoorwegen) een baan waar een railvoertuig over rijdt
    Het vervoer vond plaats per rail.
  3. een metalen richel waarover een deur of luik kan schuiven
    Een schuifdeur loopt over een rail.
  4. een metalen richel waarover een gordijn dat aan wieltjes hangt, kan rollen
    De rail voor het gordijn zit boven het raam bevestigd.

Etymologie

* Van rail "lat, dwarshout". In de betekenis van ‘spoorstaaf’ voor het eerst aangetroffen in 1839

Vertalingen

Engelsrail, railway, railroad
Fransrail, rail, tringle de rideau
DuitsSchiene, Bahn, Eisenbahn
Spaansrail, raíl, riel
Italiaansrotaia, binario, ferrovia