spoor
onzijdig (het)/spor/
Wat is de betekenis van spoor?
spoor betekent: (spoorwegen) twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein of tram rijdt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (spoorwegen) twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein of tram rijdt
- (spoorwegen) spoorwegmaatschappij
- vooraf gemaakte doorgang door een verder ongebaand terrein (ook fig.)
- afdruk; teken dat iemand ergens is of is geweest
- (techniek) deel van een magneetband waarop de informatie van één kanaal is vastgelegd
- (techniek) afstand tussen twee op dezelfde as staande wielen
- (f) (m) (biologie) voortplantingsorgaan bij schimmels en bacteriën, spore
- (f) (m) hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
- (f) (m) metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
- (f) (m) doornachtige uitsteeksel aan de poten van mannelijke, hoenderachtige vogels
- (figuurlijk) een zeer kleine hoeveelheid van iets, of een vage aanwijzing dat ergens sprake van is
Voorbeelden van "spoor" in een zin
- Het is een mooie dag om met het spoor naar Zandvoort te gaan.
- Ik was blij dat ik ook mijn ijsbijl bij me had waarmee ik me, indien nodig, kon zekeren en een nieuw spoor door de sneeuw kon maken.
- In de sneeuw waren de sporen te zien van enige konijnen.
- Wanneer ik beneden kom, is er nog steeds geen spoor van Gijs.
- Het zal u zijn opgevallen dat het hotel hier en daar sporen vertoont van achterstallig onderhoud. We hebben nu eenmaal niet zoveel gasten meer als vroeger. Ook daaraan wil meneer Wang iets doen. Hij streeft naar een volle bezetting.
Etymologie
* In de betekenis van ‘prikkel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1080
Uitdrukkingen
- Het spoor bijster zijn — De weg niet meer weten
- Iemand op het goede spoor zetten — Goede raad geven
- Iets op het spoor zijn — Iets dat men zoekt bijna gevonden hebben
- In het rechte spoor houden — Ervoor zorgen dat iemand geen verkeerde dingen doet
- Zijn sporen verdiend hebben — Zijn bekwaamheid bewezen hebben
Vertalingen
Engelstrack, spore, zarodnik
Fransvoie
DuitsGleis
Spaansraíl de ferrocarril, vía, espora
Poolstor
Zweedsspår, spår
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek