recht

onzijdig (het)/rɛxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) geheel van regels waar iedereen in een samenleving zich aan moet houden en de instituties om zulke regels te maken en te handhaven
    Volgens het recht mag ik hier niet lopen, maar ik doe het toch.
  2. filosofie, juridisch (filosofie) (juridisch) toestand of ontwikkeling die in overeenstemming is met wat in het algemeen eerlijk wordt gevonden of door een samenleving wordt nagestreefd
  3. zaak of omstandigheid die men mag opeisen
    bij elke transactie hebben beide partijen rechten en plichten
  4. recht doen aan: wat de rechtvaardigheid vereist
    Ik geloof dat we allebei zochten naar een passende reactie, een die recht zou doen aan de grootsheid van de onthulling - maar mijn dochter werd ongeduldig.
  5. recht hebben op
    'Ik wil weten wat er is gebeurd.' Daar heb ik recht op.

Etymologie

* In de betekenis van ‘niet gebogen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • iets recht zetteniets corrigeren wat verkeerd is gegaan
  • de rug recht houdenniet toegeven aan een bedreiging

Vertalingen

Engelsright
Fransdroit
Spaansderecho, derecho, recto
Russischправо