rederijker
mannelijk (de)/ˈredəˌrɛikər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- amateurdichter die lid was van het gilde van een rederijkerskamer op het einde van de middeleeuwen‘Het begrip landjuweel is al vijfhonderd jaar oud, dateert nog van toneelwedstrijden uit de tijd van de rederijkers, en de eerste versie die we teruggevonden hebben, was in Mechelen’, zegt Stefaan Deleeck van Opendoek, de vzw (vereniging zonder winstoogmerk) achter het festival. de Standaard ZATERDAG 29 OKTOBER 2016Blijkbaar is het spelen met taal, zoals dat ooit door de Rederijkers in de gilden werd beoefend van alle tijden. Want de voorrondes voor de Nacht van de Kinderpoëzie in Oldenzaal leverden maar liefst 450 inzendingen op. Tubantia 24-april-2006
- lid van een amateurtoneel- of reciteervereniging
- iemand die te veel en te grote woorden gebruikt
Etymologie
*via retorieker van "rhétoriqueur" "dichter aan het Franse hof", waarbij de gedachte aan rede en rijk een rol speelde; 'retorieker' is ook op te vatten als retoriek
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek