refo
mannelijk (de)/ˈrefo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lid van de orthodoxe zuil van de gereformeerde kerkVooralsnog ontspringen orthodoxe christenen de dans. Ondanks de secularisatie vormen ze vitale kerkelijke gemeenten, zo blijkt uit het KRO-NCRV-rapport ”God in Nederland”. De RD-enquête over nieuwe refo’s toont eveneens een levendig beeld. Ze vormen echter wel de dinosaurussen van de moderne cultuur.De refo’s vinden dat de evangelische beweging een oppervlakkig geloof predikt: kies maar voor Jezus – dat is de refo te makkelijk.
Etymologie
*(verkorting) van , in de jaren 80 van de 20e eeuw vermoedelijk onder invloed van woorden die zijn gevormd, als (pejoratief) in (jongerentaal) ontstaan, maar later als een soort geuzennaam aanvaard
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek