rei

mannelijk (de)/rɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) groep of kring van personen of wezens
    Der Dicht'ren rei verkiest op 't eenzaam Land te leeven, en wil het groot gewoel der Steden graag begeeven. Scriptorum chorus omnis amat nemus & fugit urbes. Horatio (Tijdschrift De Denker deel 7 , 1769)
  2. dans, muziek, verouderd (dans), (muziek), (verouderd) een koor van zangers en dansers, dat vroeger met zang en dans een akte of bedrijf van een toneelstuk, afsloot
    De reien fungeren als rustpunten na emotierijke scènes.Ui t"Achilles en Polyxena" P.C.Hooft
  3. dans, verouderd (dans), (verouderd) de dans, en /of het lied, dat door zo'n koor werd gezongen, en/of gedanst
zelfstandig naamwoord
  1. waterbeheer (waterbeheer) gracht, greppel of sloot voor de afwatering
    In Brugge zijn vele reien.
  2. verouderd (verouderd) rechte lijn
    Een dubbele rei fundamentpalen.
  3. gereedschap (gereedschap) rechte lat van metaal of hout waarlangs men lijnen kan trekken, kan controleren of een werk vlak of waterpas is
    Met deze stalen rei kun je een reep linoleum recht afsnijden.

Etymologie

*(f)/(m): via Middelnederlands "ree" en "reye" van "raie" "streep, vore", in de betekenis van ‘grenslijn’ aangetroffen vanaf 1250

Vertalingen

Engelschorus, choir, chorus
Franschoeur, choeur, ronde
DuitsReihe, Chor, Reigentanz