rei
mannelijk (de)/rɛi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) groep of kring van personen of wezensDer Dicht'ren rei verkiest op 't eenzaam Land te leeven, en wil het groot gewoel der Steden graag begeeven. Scriptorum chorus omnis amat nemus & fugit urbes. Horatio (Tijdschrift De Denker deel 7 , 1769)
- (dans), (muziek), (verouderd) een koor van zangers en dansers, dat vroeger met zang en dans een akte of bedrijf van een toneelstuk, afslootDe reien fungeren als rustpunten na emotierijke scènes.Ui t"Achilles en Polyxena" P.C.Hooft
- (dans), (verouderd) de dans, en /of het lied, dat door zo'n koor werd gezongen, en/of gedanst
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) gracht, greppel of sloot voor de afwateringIn Brugge zijn vele reien.
- (verouderd) rechte lijnEen dubbele rei fundamentpalen.
- (gereedschap) rechte lat van metaal of hout waarlangs men lijnen kan trekken, kan controleren of een werk vlak of waterpas isMet deze stalen rei kun je een reep linoleum recht afsnijden.
Etymologie
*(f)/(m): via Middelnederlands "ree" en "reye" van "raie" "streep, vore", in de betekenis van ‘grenslijn’ aangetroffen vanaf 1250
Vertalingen
Engelschorus, choir, chorus
Franschoeur, choeur, ronde
DuitsReihe, Chor, Reigentanz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek