rekening
vrouwelijk (de)/ˈrekəˌnɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- optelsom van te betalen bedragenHij kreeg een fikse rekening gepresenteerd.
- mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenenik heb een rekening bij de Postbank
- boekhoudkundige staat onderverdeeld in debet en credit
- (wiskunde) rekenmethode toegepast voor het oplossen van een klasse van problemen
Etymologie
**[2] (verkorting) van bankrekening
Uitdrukkingen
- Rekening houden met iets. — iets in gedachten houden
- Een streep door de rekening halen — de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben
- Een streep door de rekening zijn — alles door de war halen; een forse tegenvaller
- Het kind van de rekening zijn — de schuldige zijn en voor de schade moeten betalen
- iets voor zijn rekening nemen
- per slot van rekening — uiteindelijk
- : rekening
- keringen
Vertalingen
Engelsbill, account
Fransaddition
DuitsRechnung
Spaanscuenta, cuenta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek