reukvermogen

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het kunnen ruiken
    Het reukvermogen van de bezwijmde jongeman vindt complementen in respectievelijk het gehoor dat wordt bekoord door een groepje zangers, het gezicht dat een handje wordt geholpen door een brillenverkoper, en het gevoel dat op de proef wordt gesteld door een operatie door een onbehouwen charlatan. NRC Bram de Klerck 6 januari 2017
    Het reukvermogen van een hond is vele malen beter dan dat van een mens.