ridder

mannelijk (de)/ˈrɪdər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, geschiedenis, adel (beroep) (geschiedenis), (adel) oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
    Ridders waren soldaten die heel erg trouw waren aan hun heer of koning.
    Die nadruk op fysieke ontwikkeling blijft een constante: of we nu de levensbeschrijving lezen van een twaalfde-eeuwse ridder als Willem de Maarschalk of de veertiende-eeuwse Jean le Meingre of Boucicaut, hun jonge jaren waren gevuld met een zwaar fysiek programma.
  2. rang in een ridderorde, boven die van lid, maar onder die van officieren en commandeurs

Etymologie

*van Middelnederlands "riddere", net als "ruiter" afgeleid van het werkwoord rijden; in de betekenis van ‘adellijke titel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Vertalingen

Engelsknight
Franschevalier
DuitsRitter
Spaanscaballero
Italiaanscavaliere
Chinees骑士
Japans騎士
Poolsrycerz
Zweedsriddare
Deensridder