rinoceros
mannelijk (de)/riˈnosəˌrɔs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onevenhoevigen) benaming voor grote zware zoogdieren uit de familie die voorkomen in Afrika en Azië leeft en worden gekenmerkt door een hoorn aan de voorkant van hun kop
Etymologie
*via Latijn "rhinoceros" van "ῥῑνόκερως" (rinokeroos) letterlijk: "neus-hoorn", in de betekenis van ‘hoefdier’ aangetroffen vanaf 1654
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek