ritssluiting
vrouwelijk (de)/ˈrɪtslœytɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een sluiting bestaande uit twee rijen in elkaar grijpende metalen of kunststof haakjesDe ritssluiting heeft de knoop als sluiting verdrongen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘treksluiting’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1937
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek