ritus

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geheel van ceremoniële, gewoonlijk godsdienstige gebruiken
  2. religie (religie) voorgeschreven wijze waarop een liturgische handeling verricht wordt

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geheel van rituele gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1844

Vertalingen

Engelsrite
Spaansrito