ritus
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- geheel van ceremoniële, gewoonlijk godsdienstige gebruiken
- (religie) voorgeschreven wijze waarop een liturgische handeling verricht wordt
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geheel van rituele gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1844
Vertalingen
Engelsrite
Spaansrito
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek