roddel

mannelijk (de)/ˈrɔdəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kwaadsprekerij, achterklap
    De soupers aan het hof beginnen me behoorlijk de keel uit te hangen. Niet alleen omdat ze eindeloos duren, of omdat we ons moeten onderwerpen aan de laatste modes zoals bepoederde gezichten, martelend strakke, met edelstenen bezette kapsels als ramshoorns, zijden gewaden waarvan de mouwen zo krap zitten dat het bijna onmogelijk is om een lepel naar onze zorgvuldig gekleurde lippen te brengen... Nee, het ergst zijn de roddels, het kwaadaardige gegons van wespen die hun giftige angels maar al te graag in welke tere huid dan ook steken.

Vertalingen

Engelsgossip, rumour, rumor
Franspotin, ragot, papotage
DuitsKlatsch, Tratsch
Spaanschismorreo, habladurías
Italiaanspettegolezzo
Portugeesfofoca
Turksdedikodu
Zweedsskvaller
Deenssladder