roe

mannelijk/vrouwelijk (de)/ru/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bundel takken waarmee geslagen kan worden
    Hij sleurde de abt bij zijn haren uit het smalle bed, smeet hem op de vloer en sloeg hem met een roe waar hij hem raken kon, onder het zingen van het lied 'O Pastor Alterne'.
  2. een ronde of platte metalen buis waarmee traplopers, gordijnen e.d mee worden vastgezet

Vertalingen

DuitsRute