Roede

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrudə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bundel takken waarmee geslagen kan worden
    'Een schrik voor de meisjes. Toch was die roede warempel geen verbeelding.
  2. holle of massieve (metalen) staaf
  3. eenheid, verouderd (eenheid), (verouderd) lengtemaat die qua afmeting verschilde van plaats tot plaats
  4. eenheid, verouderd (eenheid), (verouderd) oppervlaktemaat die qua afmeting verschilde van plaats tot plaats
  5. eenheid, verouderd (eenheid), (verouderd) inhoudsmaat die qua omvang verschilde van plaats tot plaats
  6. figuurlijk (figuurlijk) penis

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands "ruoda", in de betekenis van ‘stok’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw

Vertalingen

Engelsrod, wand
DuitsRute
Spaansbarra, vara