roepen

/'ru.pə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
    "Weg met de dictator!" werd er geroepen door de demonstranten.
  2. ov (ov) luidruchtig, duidelijk beweren
    Om toch alle 4.286 kilometers te lopen, liep ik later een aantal extra zijtochten om alsnog die verloren kilometers in te halen. Vaak werd er geroepen dat je op de PCT vooral je eigen ding moest doen, hike your own hike zoals ze dat zo mooi zeggen in Amerika.
  3. ov (ov) uitnodigen
    Maar de bergen roepen mij al mijn hele leven.
    Waar wacht je nog op? De trail roept.

Etymologie

* In de betekenis van ‘schreeuwen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • op het matje roepeniemand ter verantwoording bij zich roepen
  • de plicht roeptzich verantwoordelijk voor iets zijn
  • de dienst roeptmen moet zijn werk verrichten

Vertalingen

Engelscall, shout, yell
Franscrier, appeler
Duitsrufen, herbeizitieren
Spaansgritar, llamar
Zweedskalla, skrika