roest

onzijdig (het)/rust/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. metallurgie (m) of (n) (metallurgie) een rood- of bruingele bedekking aan de oppervlakte van ijzer die ontstaat door aantasting door de zuurstof van de lucht
    Hij was de roest aan het wegpoetsen toen ik thuiskwam.
  2. steeltjeszwammen (steeltjeszwammen) (m) benaming voor schimmels uit de klasse
    Roesten veroorzaken ziekten bij planten; deze schimmels tasten het blad aan en komen onder andere voor op granen, gras en prei.
  3. (m) een roestkleur
    Deze vogel heeft te veel roest op de vleugels.
  4. (m) een rustplek voor hoenders, een kippenhok
    De hoenders gingen op den roest.
  5. jachttaal (jachttaal) (m) het nachtleger van vliegend wild, met name van kraaiachtigen
    Er zijn een aantal roesten in deze streek, waar je roeken kunt aantreffen.
  6. jachttaal (jachttaal) (m) uitwerpselen van met name patrijzen bij hoopjes, bij de gulplaats

Etymologie

*[6]: Waarschijnlijk afgeleid van [4].

Uitdrukkingen

  • Oude liefde roest nietStoett-1393 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Rust roestwanneer je niets doet gaat je vermogen achteruit

Vertalingen

Engelsrust, rust, roost
Fransrouille
DuitsRost
Spaansóxido, herrumbre, moho
Italiaansruggine
Portugeesferrugem
Russischржавчина
Chinees銹, 锈
Japans
Arabischصدأ
Poolsrdza
Zweedsrost