roest
onzijdig (het)/rust/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) of (n) (metallurgie) een rood- of bruingele bedekking aan de oppervlakte van ijzer die ontstaat door aantasting door de zuurstof van de luchtHij was de roest aan het wegpoetsen toen ik thuiskwam.
- (steeltjeszwammen) (m) benaming voor schimmels uit de klasseRoesten veroorzaken ziekten bij planten; deze schimmels tasten het blad aan en komen onder andere voor op granen, gras en prei.
- (m) een roestkleurDeze vogel heeft te veel roest op de vleugels.
- (m) een rustplek voor hoenders, een kippenhokDe hoenders gingen op den roest.
- (jachttaal) (m) het nachtleger van vliegend wild, met name van kraaiachtigenEr zijn een aantal roesten in deze streek, waar je roeken kunt aantreffen.
- (jachttaal) (m) uitwerpselen van met name patrijzen bij hoopjes, bij de gulplaats
Etymologie
*[6]: Waarschijnlijk afgeleid van [4].
Uitdrukkingen
- Oude liefde roest niet — Stoett-1393 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- Rust roest — wanneer je niets doet gaat je vermogen achteruit
Vertalingen
Engelsrust, rust, roost
Fransrouille
DuitsRost
Spaansóxido, herrumbre, moho
Italiaansruggine
Portugeesferrugem
Russischржавчина
Chinees銹, 锈
Japans錆
Arabischصدأ
Poolsrdza
Zweedsrost
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek