rog
mannelijk (de)/rɔx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kraakbeenvissen) benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superordeKinderen verbazen zich vaak over de platte vorm van een rog.
Etymologie
*van Middelnederlands "rochge", in de betekenis van ‘kraakbeenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Vertalingen
Engelsray, stingray, skate
Fransraie
DuitsRochen
Spaansraya
Portugeesarraia, raia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek