rommel

mannelijk (de)/ˈrɔməl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vele waardeloze spullen door elkaar
    Quick stond onhandig op en bleef wankelend tussen de rommel staan.
    Gooi die rommel toch eens weg!
    Ik slik mijn laatste hap door, drink nog wat water, ruim mijn rommel op, kom omhoog en hang mijn rugzak om.

Etymologie

* In de betekenis van ‘bende’ voor het eerst aangetroffen in 1866

Vertalingen

Engelsclippings, cuttings, chaos
Spaansbasura, caos, desechos