troep
mannelijk (de)/trup/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vele waardeloze spullen door elkaarWat een troep is het hier!Dan raapten we alle papiertjes en troep van de grond op om zo geen enkel spoor achter te laten.
- groep levende wezens
- (militair) militairen, manschappenHij viel met een troep van zo'n honderd soldaten op paarden dorpen binnen.De Spaanse troepen verschansten zich in de stad.
- (ongeordende) groep dierenEen troep verwilderde honden zwierf rond op straat.In het bos is een troep van vijf of zes wolven waargenomen.Grote troepen eenden en ganzen trokken over.
- ongeordende groep mensenEen troep gillende kinderen rende voorbij.
Etymologie
*van "troupe", in de betekenis van ‘menigte, bende’ voor het eerst aangetroffen in 1583
Vertalingen
Engelsaccumulation, band, bevy
Spaansacervo, compañía, conjunto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek