troep

mannelijk (de)/trup/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vele waardeloze spullen door elkaar
    Wat een troep is het hier!
    Dan raapten we alle papiertjes en troep van de grond op om zo geen enkel spoor achter te laten.
  2. groep levende wezens
  3. militair (militair) militairen, manschappen
    Hij viel met een troep van zo'n honderd soldaten op paarden dorpen binnen.
    De Spaanse troepen verschansten zich in de stad.
  4. (ongeordende) groep dieren
    Een troep verwilderde honden zwierf rond op straat.
    In het bos is een troep van vijf of zes wolven waargenomen.
    Grote troepen eenden en ganzen trokken over.
  5. ongeordende groep mensen
    Een troep gillende kinderen rende voorbij.

Etymologie

*van "troupe", in de betekenis van ‘menigte, bende’ voor het eerst aangetroffen in 1583

Vertalingen

Engelsaccumulation, band, bevy
Spaansacervo, compañía, conjunto