ronken

/ˈrɔŋkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. het maken van een aanhoudend geluid dat het midden houdt tussen zoemen en sputteren
    Die auto verderop staat al de halve dag te ronken.
  2. bovengenoemd geluid produceren tijdens het slapen
    Hij ligt wel erg hard te ronken.
  3. diep slapen
    Tijdens dat lawaai vannacht heb jij gewoon liggen ronken hè?

Etymologie

* In de betekenis van ‘snorren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Vertalingen

Engelsthrob, snore, sleep like a log
Fransronfler, ronfler, dormir à poings fermés
Duitsbrummen, schnarchen, ratzen