ronken
/ˈrɔŋkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- het maken van een aanhoudend geluid dat het midden houdt tussen zoemen en sputterenDie auto verderop staat al de halve dag te ronken.
- bovengenoemd geluid produceren tijdens het slapenHij ligt wel erg hard te ronken.
- diep slapenTijdens dat lawaai vannacht heb jij gewoon liggen ronken hè?
Etymologie
* In de betekenis van ‘snorren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Vertalingen
Engelsthrob, snore, sleep like a log
Fransronfler, ronfler, dormir à poings fermés
Duitsbrummen, schnarchen, ratzen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek