snurken
/ˈsnʏrkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaatMensen die snurken hebben daar vaak, direct of indirect, veel last van.
Etymologie
* In de betekenis van ‘keelgeluid maken in de slaap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Vertalingen
Engelssnore
Fransronfler
Duitsschnarchen
Spaansroncar
Italiaansrussare
Russischхрапеть
Poolschrapać
Zweedssnarka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek