roofvogel

mannelijk (de)/ˈrofoɣɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
  2. verzamelterm voor vogels die behoren tot de havikachtigen en valkachtigen; tot de 21e eeuw vaak beschreven als één orde

Etymologie

*, in de betekenis van ‘vogel die van vlees leeft’ aangetroffen vanaf 1573

Vertalingen

Engelsbird of prey, raptor
Fransrapace, oiseau de proie
DuitsRaubvogel, Greifvogel
Spaansave de presa, ave de rapiña, ave rapaz
Portugeesave de rapina
Zweedsrovfågel
Deensrovfugle