ruik
/rÅÊk/
Wat is de betekenis van ruik?
ruik betekent: eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruiken
Betekenis
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruiken
- gebiedende wijs van ruiken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruiken
Voorbeelden van "ruik" in een zin
- Ik ruik.
- Ruik!
- Ruik je?
- Ik ruik vis.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek