Ruiken

/ˈrœykə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) geur waarnemen met de neus
    Ik ruik iets.
    Ik zette er flink de pas in en na een tijdje begon ik bijna te rennen want ik kon de hamburgers al ruiken! ’s Ochtends om tien over negen viel ik het beroemde café binnen en zette met een zucht mijn rugzak op de grond.
    Ze snuffelt aan de brieven, alsof ze de geur van de miniatuurmaakster hoopt te ruiken - een Noorse naaldboom, misschien, of het verkoelende luchtje van een muntplant op een oever - maar het droge papier ruikt alleen maar vaag naar haar eigen kamer.
  2. absol (absol) ~ naar een bepaalde geur verspreiden die met de neus waargenomen kan worden
    Ja, het ruikt hier naar gas.
  3. inerg (inerg) ~ aan met de neus onderzoeken
    Hij rook er eens aan en trok een vies gezicht.

Etymologie

* In de betekenis van ‘een geur geven of opnemen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Vertalingen

Engelssmell, smell
Franssentir, sentir
Duitsriechen, riechen, stinken
Spaansoler, oler
Italiaanssentire, fiutare, sentire
Portugeescheirar, cheirar
Russischобонять, чуять, нюхать
Chinees聞, 闻
Japans匂う
Koreaans냄새를 맡다
Arabischشم
Poolspachnieć
Zweedslukta, lukta