ruimhartigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het geneigd zijn om met gulheid te geven
    Jij kunt wel bij John en zijn vrouw blijven wonen,'zei ik in een vlaag van ruimhartigheid.
    ChristenUnie-voorman Segers benadrukte dat veel toezeggingen dreigen te verzanden in een bureaucratische molen. "We moeten oppassen te snel te veel te beloven wat we niet kunnen waarmaken, want dat is een recept voor frustratie." En D66-leider Kaag noemde als kernwoorden bij de afhandeling van de problemen "de burger centraal, regie, maatwerk en ruimhartigheid".

Etymologie

* afleiding van ruimhartig

Vertalingen

Engelsopen-handedness, generosity