ruimte

vrouwelijk (de)/ˈrœymtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beschikbare uitgestrektheid, mate waarin iets ruim is
    Hij heeft er de ruimte.
    Er is daar ruimte en groen, het is geen massale mensenmassa waarin we ons begeven. We zien wel wat er daar nog open is. En dit weekend is belangrijk voor ons, er worden al zo veel leuke dingen afgelast.
  2. vertrek, kamer
    We kwamen in een ruimte die bedoeld was voor het houden van vergaderingen.
    De abt vond het spotternij om die heilige ruimte te vullen met gezang voor zulk een wereldse geestelijke.
    Dit zou toch niet mijn laatste nacht op aarde worden? Met zeven andere hikers zou ik de nacht in deze piepkleine ruimte van drie bij drie meter moeten doorbrengen.
  3. natuurkunde, astronomie (natuurkunde) (astronomie) heelal, universum
    De raket werd de ruimte ingeschoten.
  4. mogelijkheid om af te wijken van een regel of afspraak, speling, vrijheidsgraad, marge

Etymologie

*afgeleid van "ruim" , in de betekenis van ‘plaats om zich te bewegen’ aangetroffen vanaf 1564

Uitdrukkingen

  • de openbare ruimte / de publieke ruimtede ruimte die voor iedereen toegankelijk is
  • Zich op ( of in) de ruimte houden

Vertalingen

Engelsroom, location, place
DuitsPlatz, Raum, Zimmer
Spaansespacio, local, localidad
Poolsprzestrzeń
Zweedsrymd, rymd