ruisen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. absol (absol) een zacht geluid maken (waarvan alle frequenties in gelijke mate voorkomen)
    Er waren geen bomen die hun bladeren lieten ruisen in de wind. {{Aut|Herzen, Frank
    De verschillende klanken van het vogelgezang, het constante gezoem van de krekels en het hoge ruisen van de wind in de boomtoppen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘geluid van een stroom maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Spaansmurmurar, runrunear, susurrar