ruit
mannelijk/vrouwelijk (de)/rœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek), (bouwkunde) lucht- en waterdichte, maar lichtdoorlatende glasplaat als afsluiting van een vensterDe ruit van dubbelglas, heeft een betere warmte-isolatie.Nood breekt wet; ze openden de luiken voor een van de ramen en sloegen een ruit in.Mijn blik op Emil is besmeurd, alsof hij zich achter een ruit bevindt die nog vuil is van de modder en de pekel van de winter.
- (wiskunde) vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijnEen vierkant is een bijzondere vorm van een ruit.
- (textiel) kraanoog of kraanoogkeper
- (heraldiek) van de vormen van een wapenschild
- (spel) figuur uit een kaartspel, ♦
- (bloemplanten) geslacht van overblijvende planten uit de ranonkelfamilie (), wereldwijd verspreid over alle gematigde gebieden. In Europa komen ongeveer 15 soorten voor, twee ervan, de poelruit () en de kleine ruit () zijn ook in België en Nederland te vinden
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1253
Vertalingen
Engelswindowpane, rhombus, lozenge
Franscarreau, vitre, losange
DuitsFensterscheibe, Raute, Rhombus
Spaansvidrio, cristal, rombo
Poolsromb
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek