Ruiten

mannelijk/vrouwelijk (de)/หˆrล“ytษ™(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kaartspel (kaartspel) een kleursoort in het kaartspel
werkwoord
  1. ov (ov) ruiten maken op, in
  2. verouderd (verouderd) roven, plunderen

Etymologie

* In de betekenis van โ€˜kleur in kaartspelโ€™ aangetroffen vanaf 1612