ruk
mannelijk (de)/rʏk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- nelle, plotselinge, korte beweging (waardoor iets met een schok van zijn plaats bewogen of getrokken wordt), een verandering van de versnelling (d3x/dt3)De wind gaf een ruk naar links.Ik sprong naar buiten, trok met één grote ruk de hele tent met haringen en al los en dook de struiken in.
- in één periode zonder onderbreking.In één ruk fietsen we van Amsterdam naar Rotterdam.
Vertalingen
Engelspull
Spaanstirón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek