ruk

mannelijk (de)/rʏk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. nelle, plotselinge, korte beweging (waardoor iets met een schok van zijn plaats bewogen of getrokken wordt), een verandering van de versnelling (d3x/dt3)
    De wind gaf een ruk naar links.
    Ik sprong naar buiten, trok met één grote ruk de hele tent met haringen en al los en dook de struiken in.
  2. in één periode zonder onderbreking.
    In één ruk fietsen we van Amsterdam naar Rotterdam.

Vertalingen

Engelspull
Spaanstirón