rum

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
    Hij dronk gezellig een glaasje rum mee.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘drank van suikerriet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1750

Vertalingen

Engelsrum
Fransrhum
DuitsRum
Spaansron