rum
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (drinken) een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerrietHij dronk gezellig een glaasje rum mee.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘drank van suikerriet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1750
Vertalingen
Engelsrum
Fransrhum
DuitsRum
Spaansron
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek