rustdag

mannelijk (de)/ˈrʏsdɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dag dat men niet werkt of sport
    Voor christenen is zondag de rustdag, voor moslims is dat de vrijdag en voor de joden de zaterdag.
    Tijdens een tournooi zijn er altijd één of meer rustdagen tussen de wedstrijden in.

Vertalingen

Engelsrest day
Fransjour de repos
DuitsRuhetag
Spaansdía de descanso
Zweedsvilodag