rust
mannelijk/vrouwelijk (de)/rʏst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- voortdurende toestand van kalmte en beheersing die niet wordt verstoord door onverwachte bewegingen of geluiden, en die geen bedreigingen kentWe hadden het hele eiland voor ons alleen, wat een paradijselijke rust.Helaas bracht de nacht niet de rust die ik had verwacht.Het boek behandelt onze relatie met de nieuwsmedia, onze ideeën over liefde en seks, onze veronderstellingen over geld en onze carrières, onze houding ten opzichte van dieren en de natuur, onze bewondering voor wetenschap en technologie, ons geloof in individualisme en secularisme - en onze verhouding tot rust en eenzaamheid.
- tijdelijke toestand van ontspanning en herstel na arbeid, moeite of inspanningNa zo'n avontuur komt men maar langzaam tot rust.
- periode van weinig of geen activiteit, van ontspanning, bezinning en herstelEen mens heeft minstens acht uur rust per dag nodig.
- (sport) onderbreking van een wedstrijd voor ontspanning en herstelNa de rust werden geen doelpunten gemaakt.
- (muziek) een moment of periode in een muziekstuk waarin één of meer instrumenten geluidloos zijnIn deze passage hebben de blazers het moeilijk, er komt geen tel rust in voor.
- (techniek) steunpunt voor hand of voetDe motorrijder staat tijdens de veldrit op de voetrusten.
- (scheepvaart) stevige klamp of brede rand die buitenboord op dekhoogte van een zeilschip is aangebracht, om er het want aan te bevestigenDe bevestigingspunten (puttings) voor de wanten zijn op de rust aangebracht.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "ruste" van Oudnederlands "raste" "afstandsmaat (tussen rustplaatsen)", in de betekenis van ‘stilte, ontspanning’ aangetroffen vanaf 1240
Uitdrukkingen
- rust noch duur hebben
- rust roest
Vertalingen
Engelstranquillity, tranquility, rest
Franstranquillité, repos, repos
DuitsStille, Ruhe, Ruhepause
Spaanstranquilidad
Italiaanstranquillità
Portugeestranquilidade
Zweedsstillhet
Deensstilhed
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek