kabaal

onzijdig (het)/kaˈbal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zeer luide verstoring van rust en ordeSoms wordt vooral gedoeld op geluid met een hoog volume, soms juist om ernstig verstoorde verhoudingen zonder dat het letterlijk om het volume van geluid gaat, maar deze beide aspecten laten zich vaak ook niet onderscheiden.
    De rolluiken zijn weer omhoog, de straten vol mensen op weg ergens naartoe, overal getoeter op drukke kruispunten, het onophoudelijke kabaal van een metropool.
    Ook op persoonlijk niveau baart het me zorgen: wij lijken nu rijke villabewoners die tegen de komst van statushouders zijn. In werkelijkheid is er een klein groepje bewoners met die opvatting, dat gewoon erg veel kabaal maakt.
    {{ouds
zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief, verouderd (pejoratief) (verouderd) mensen die stiekem samenwerken ten nadele van anderen
    Het afleggen van een eed dwingt iemand niet tot het verloochenen van een alliantie met kwaadaardigheid dan wel met een mogelijke kabaal.
    {{ouds
  2. pejoratief, verouderd (pejoratief) (verouderd) religieuze of politieke groep gelijkgezinden
    Falck zou zijn latere leven in Azië steeds zijn grote vertrouwen in prins Willem V uitspreken en hem steunen. Dat gold niet voor de kabaal van de Prins en adviseurs aan het Hof.
    {{ouds

Etymologie

**(n): in het Nederlands ontstaan uit het leenwoord ((f)) uit het Frans, misschien onder invloed van Middelnederlands "caboel" (n) "rumoer" dat via "קבלה" (kabole) op hetzelfde e woord teruggaat, in de betekenis van ‘lawaai’, die ook lijkt te verwijzen naar het Franse woord aangetroffen in 1810 (zie vindplaats hieronder, maar ook het vers [https://dbnl.org/tekst/_vad003183401_01/_vad003183401_01_0241.php?q=kabaalhl1 De kabaal.] uit 1834)

Vertalingen

Engelsdin
Franstapage
DuitsRadau
Spaansalboroto