herrie

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɛri/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. veel en onaangenaam geluid
    Als er niet zo veel herrie was geweest, had hij kunnen nadenken over wat hem dwarszat, maar de krijsende fluittonen volgden elkaar op, onderbroken door explosies die je van hoofd tot voeten door elkaar schudden. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Vanaf haar plaats op de stenen bal keek Schoonheid rustig neer op de herrie die voor haar op het plein aan de gang was. {{Aut|Herzen, Frank

Etymologie

*van "hurry" "commotie", in de betekenis van ‘lawaai’ voor het eerst aangetroffen in 1806

Vertalingen

Engelsnoise, tumult
Franstapage
DuitsLärm
Spaansalboroto, estruendo, ruido