beweging

vrouwelijk (de)/bəˈweɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
    Na de tussenstop kwam de trein weer in beweging.
    `Dat alles beweging is. Stilstand bestaat niet. Er bestaan alleen te veel woorden.'
  2. van plaats/positie veranderen
    De beweging van voorwerpen wordt beschreven door de wetten van Newton.
    Maar de slang maakte geen aanstalten om te vertrekken. Ik schopte wat stof zijn kant op en tot mijn verbazing kwam ze opeens in beweging.
    Zijn bewegingen zijn resoluut, zijn kin is hoog geheven. Wat Albert vooral ziet, is de heldere en directe blik van de luitenant. Een en al vastberadenheid. Opeens wordt hem alles duidelijk, alles {{Aut|Lemaitre, Pierre
  3. een organisatie
    Hij had zich aangesloten bij een politieke beweging.
  4. uit eigen beweging: zonder aansporing of druk van anderen
    De student had alle opgaven uit eigen beweging gemaakt.

Etymologie

*Naamwoord van handeling van bewegen .

Uitdrukkingen

  • uit eigener beweging

Vertalingen

Engelsmotion, movement, movement
Spaansmovimiento, movimiento, movimiento
Poolsruch, ruch, ruch