activiteit

vrouwelijk (de)/ˌɑktiviˈtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een bepaalde werkzaamheid, verrichting
    De activiteiten moesten gestopt worden omdat er geen geld meer was.
    De activiteiten die het hotel kosteloos aanbood waren legio.
    's Nachts droomde hij ook af en toe van het leven op de Hardangervidda en soms wanneer hij half slapend zijn voeten op de ijskoude plankenvloer zette om uit bed te komen voor een activiteit die mannen van zijn leeftijd dwong om de diepste slaap of de aangenaamste dromen te onderbreken, voelde het alsof hij er nog steeds was.
  2. beweging
    Bij de man die op de grond lag was geen activiteit meer te ontdekken.
  3. toestand waarin veel handelingen worden verricht, de bedrijvigheid
    Met het weer groeien van de economie nam de activiteit op het industrieterrein weer toe.
  4. natuurkunde (natuurkunde) mate waarin radioactieve stoffen uiteenvallen, radioactiviteit
    De activiteit van uranium neemt in de loop van de tijd af.

Etymologie

*afgeleid van actief

Vertalingen

Engelsactivity
Fransactivité
DuitsAktivität
Spaansactividad