samenleven

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. In één huis wonen zonder getrouwd te zijn, hokken, samenhokken, samenwonen
    De twee mannen leefden samen, ze hadden geen behoefte om te trouwen.
    Die engel was mijn vrouw, met wie ik al 20 jaar samenleef, die altijd weer mijn ogen opent om dankbaar en tevreden te zijn met mijn leven.
  2. in één land, regio of stad wonen
    Met 17 miljoen mensen vreedzaam samenleven in een klein land is een hele kunst.

Etymologie

*samenstelling van het bijwoord samen en leven