sax

mannelijk (de)/sɑks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) blaasinstrument in de vorm van een S-vormige, breder wordende buis met kleppen, aangeblazen met een riet
    Sleutelaar speelde sax in een jazzbandje, croonde ook daarbij.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd, straattaal (verouderd) (straattaal) lang mes

Etymologie

*(n): van "saks" "mes, kort zwaard", cognaat met "Sachs" en "sax" / "seax"