schaap
onzijdig (het)/sxap/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) , een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levertDe meeste kinderboerderijen houden ook schapen.Een tropische versie van Schotland, met meer dan 60 miljoen schapen en ontelbare gevaarlijke rivieren.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "schaep" / "scaep" van Oudnederlands "skap", in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Uitdrukkingen
- Als de herder verdwaalt dolen de schapen — als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten
- Als er een schaap over de dam is, volgen er meer — als er de eerste stap is gezet is het voor een ander niet moeilijk meer om die ook te maken en volgt de rest vanzelf
- De bokken van de schapen scheiden — De goeden apart van de kwaden zetten of een scheiding maken tussen goede en slechte mensen ofwel: Een scheiding maken tussen mannen en vrouwen ofwel: Een scheiding maken tussen mensen die iets durven of kunnen ten opzichte van anderen.
- Er gaan veel makke schapen in een hok — wanneer iedereen rustig blijft, passen veel mensen in dezelfde ruimte
- Het verloren schaap (zijn) — de gezochte (zijn)
- Het zwarte schaap zijn — totaal anders dan de rest ofwel: iemand die altijd de schuld krijgt
- Schapen met bokken verdelen
- zijn schaapjes op het droge hebbebn — zijn zaken goed geregeld hebben
Vertalingen
Engelssheep
Fransmouton
DuitsSchaf, Schafherde
Spaansoveja
Italiaanspecora
Portugeesovelha
Russischовца
Chinees綿羊
Japans羊
Turkskoyun
Poolsowca
Zweedsfår
Deensfår
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek