schade

vrouwelijk (de)/ˈsxadə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geheel van beschadigingen
    De schade aan het huis na de wervelwind was aanzienlijk.
    De opiatencrisis in de Verenigde Staten heeft naast honderdduizenden slachtoffers ook enorme economische schade veroorzaakt, blijkt uit een rapport van de Society of Actuaries (SOA).De totale kosten van de opiatencrisis bedroegen tussen 2015 en 2018 liefst 631 miljard dollar (565 miljard euro). [https://www.nu.nl/economie/6005230/kosten-opiatencrisis-vs-afgelopen-jaren-meer-dan-550-miljard-euro.html www.nu.nl] (21-okt-2019)
    Pas 100 meter verder durfde ik te stoppen om de schade op te nemen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘nadeel, beschadiging’ voor het eerst aangetroffen in 1237

Uitdrukkingen

  • Door schade en schande wordt men wijsEen mens leert het beste van eerder gemaakte fouten, die hij in het vervolg zal vermijden
  • Ver van je goed, dicht bij je schadeBelangrijke kwesties moeten niet aan anderen worden overgelaten
  • Een blind paard kan er geen schade doenDie ruimte is helemaal leeg, er staat niets van waarde

Vertalingen

Engelsdamage, harm
Fransdommage
DuitsSchaden
Spaansdaño