schaduw
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsxadyw/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlakIk sta in de schaduw van de boom.Paraplu? Ja dat vond ik zelf eerst ook raar, maar dankzij de schaduw van mijn paraplu ging mijn lichaamstemperatuur aanzienlijk omlaag.In de schaduwen leunt Johannes tegen een tafeltje.
- donkere vorm op muur, schildering of grondAchter de ramen op de Herengracht deinzen hier en daar schaduwen terug voor haar blik.
- (psychologie) bepaald archetype in de jungiaanse psychologie, een onbewust aspect van de persoonlijkheid
Etymologie
* In de betekenis van ‘silhouet, schim’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1300
Uitdrukkingen
- In de schaduw zitten — Gevangen zitten
- Over zijn eigen schaduw heen stappen — Een moeilijke beslissing nemen waarmee meestal niet zozeer het eigenbelang, maar een hoger belang is gediend
- Waar veel licht is, is veel schaduw/valt ook een diepe schaduw. — Wie in welstand heeft, moet die ook zien te behouden (of wordt daarom benijd)
- Geen licht/zon zonder schaduw — Aan alles zit ook een minder aangename kant
- Tegen zijn eigen schaduw vechten — Vechten tegen een denkbeeldige tegenstander
- Niet in iemands schaduw kunnen staan — Zich in geen opzicht met iemand anders kunnen meten
- Hoge bomen geven meer schaduw dan vruchten. — Wie de meeste drukte maakt, voert weinig concreets uit
- Een gevelde boom geeft geen schaduw meer. — Als je iets kostbaars eenmaal kwijt bent, heb je er niets meer aan (dus wees er voorzichtig mee)
Vertalingen
Engelsshade, shadow
Fransombre
DuitsSchatten
Spaanssombra
Italiaansombra
Portugeessombra
Russischтень
Chinees阴影
Japans影
Koreaans그림자
Arabischظل, ضل
Turksgölge
Poolscień
Zweedsskugga
Deensskygge
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek