schakelaar
mannelijk (de)/ˈsxakəˌlar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toestel om een elektrische stroomketen te sluiten of te onderbreken
Etymologie
* van schakelen
Vertalingen
DuitsSchalter
Spaansconmutador, interruptor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek