schapenvacht

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsxapə(n)ˌvɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lange, gekrulde beharing van het schaap
    De wolvenkaken malen alles met gemak fijn. Alleen schapenvacht is vaak te dik en te wollig om te verteren.
  2. geprepareerde huid met beharing van een schaap , of kunststof nabootsingen daarvan
    De gordijnen zijn van rood velours, schapenvachten op de grond, de houtkachel knappert knus.
    Er staan lekkere rieten stoelen met een schapenvachtje, stoere houten tafels met eenvoudige stoelen; binnen oogt het allemaal aangeharkt ruraal.

Uitdrukkingen

  • een wolf in een schapenvacht