scheepskist

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kist waarin een schepeling zijn persoonlijke eigendommen herbergt
    't Was alles naar zijn aard en bestemming; de timmerlui sjouwden hun gereedschap van karwei naar karwei, in zelfgemaakte bakken, van oorgaten voorzien; loodgieters hadden leêren tasschen noodig met een platte bodem, opdat de zak kon blijven staan; zeelui behoefden in hun scheepskist 'n bakje voor naald, garen en pinkring en Jaap was aan het sparen voor een diamant, het allereerst noodige.