Schijf

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɛif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plat en rond voorwerp (discus)
  2. voeding (voeding) afgesneden plak van een of andere stof
  3. informatica (informatica) opslagmedium
  4. muziek (muziek) platte en ronde muziekdrager
  5. muziek, figuurlijk (muziek) (figuurlijk) muziekalbum of muzieknummer, in het bijzonder een goed nummer
    Welk nummer is dat? Wat een schijf!
  6. spel, sport (spel) (sport) elk van de stenen waarmee het damspel wordt gespeeld

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands scīve ‘schijf, platrond voorwerp’, ontwikkeld uit Oergermaans *skībō-, wijzend met grammatische wisseling op Indo-Europees *sk(e)ip-, labiaaluitbreiding van *skeh₂i- ‘splijten’ (zie verder scheiden). Evenals Nederduits Schiev, Duits Scheibe, Fries skiif en Zweeds skiva, alle ‘platrond voorwerp, schijf’. Verwantschap met scheef (zn.) en schever(steen).

Uitdrukkingen

  • Over veel schijven lopenveel mensen die ergens zich mee bemoeien

Vertalingen

Engelsdisc
Fransdisque, galette
DuitsScheibe, Diskus
Spaansdisco
Italiaansdisco
Portugeesdisco
Russischдиск
Poolspłyta, dysk
Zweedsskiva
Deensdiskos, skive