Schijf
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɛif/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plat en rond voorwerp (discus)
- (voeding) afgesneden plak van een of andere stof
- (informatica) opslagmedium
- (muziek) platte en ronde muziekdrager
- (muziek) (figuurlijk) muziekalbum of muzieknummer, in het bijzonder een goed nummerWelk nummer is dat? Wat een schijf!
- (spel) (sport) elk van de stenen waarmee het damspel wordt gespeeld
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands scīve ‘schijf, platrond voorwerp’, ontwikkeld uit Oergermaans *skībō-, wijzend met grammatische wisseling op Indo-Europees *sk(e)ip-, labiaaluitbreiding van *skeh₂i- ‘splijten’ (zie verder scheiden). Evenals Nederduits Schiev, Duits Scheibe, Fries skiif en Zweeds skiva, alle ‘platrond voorwerp, schijf’. Verwantschap met scheef (zn.) en schever(steen).
Uitdrukkingen
- Over veel schijven lopen — veel mensen die ergens zich mee bemoeien
Vertalingen
Engelsdisc
Fransdisque, galette
DuitsScheibe, Diskus
Spaansdisco
Italiaansdisco
Portugeesdisco
Russischдиск
Poolspłyta, dysk
Zweedsskiva
Deensdiskos, skive
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek