schink
mannelijk (de)/sxɪŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) (verouderd) vlees van de achterkant van een varkenDe gasten zetten zich aan het bruiloftsmaal: koffie met "stoet met schink" en "tweebakken met geel sukker".
Etymologie
*van Middelnederlands "schenke", cognaat met "Schinken", verwant met "schonk"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek