schisma

onzijdig (het)/ˈsxɪsma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
  2. figuurlijk, politiek (figuurlijk) (politiek) uit elkaar vallen van een ideologische groep in twee delen door sterk verschillende opvattingen

Etymologie

*van Latijn """, in de betekenis van ‘scheuring’ aangetroffen vanaf 1872

Vertalingen

Engelsschism
Spaanscisma